De strijd om promotie naar de 3e klasse in de rechtszaal  03-07-2015

Door Lars Westhoff

Op 25 april jongstleden krijgt een speler van NSV ’46 een directe rode kaart in de wedstrijd tegen Woubrugge. Per brief d.d. 29 april 2015 is de speler in staat van beschuldiging gesteld wegens gewelddadige handelingen tijdens voornoemde wedstrijd. Op 30 april 2015 is door een bestuurslid van NSV telefonisch geïnformeerd bij de afdeling Tuchtzaken District West II van de KNVB of de speler speelgerechtigd is voor de volgende competitiewedstrijd. Ten onrechte is aangegeven dat de speler speelgerechtigd is. Met als gevolg dat de speler op 2 mei 2015 heeft gespeeld tegen NiTA. Na dit gelijke spel is NSV kampioen.

 

Tuchtcommissie KNVB

De Tuchtcommissie is, naar aanleiding van de aangifte van het Bestuur Amateurvoetbal, van oordeel dat NSV te goeder trouw en niet verwijtbaar heeft gehandeld en van opzet geen sprake was. Als gevolg hiervan is Woubrugge naar de burgerrechter gestapt.[1] Aldaar lag de vraag voor of de Tuchtcommissie in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat van verwijtbaarheid in de zin van artikel 22 lid 1 Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal geen sprake was.

 

Directe rode kaartregeling

Artikel 22 lid 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal stelt dat voor strafbaarheid van een overtreding sprake moet zijn van opzet, schuld, nalatigheid of onzorgvuldigheid. Op een directe rode kaart is de “directe rode kaartregeling” van toepassing. Dit houdt in dat een directe rode kaart tot gevolg heeft dat de speler de eerst volgende bindende wedstrijd niet mag deelnemen in afwachting van de (eventuele) uitspraak van de tuchtcommissie. Zo ook in dit geval.

 

Strafbaarheid overtreding

De kortgedingrechter overweegt dat er verwarring heeft kunnen ontstaan bij NSV omdat in de brief met de beschuldiging, de paragraaf ontbrak waarin gewoonlijk wordt aangegeven dat de speler voor de volgende wedstrijd automatisch is geschorst. Daarbij is door een medewerker Tuchtzaken van de KNVB aangegeven dat de speler speelgerechtigd is. Aldus kan, zo oordeelt de kortgedingrechter, niet worden aangenomen dat de NSV niet te goeder trouw was en een verwijt kan worden gemaakt. NSV heeft voldoende gedaan om de verwarring op te helderen door navraag te doen bij de KNVB. Aldus heeft de Tuchtcommissie in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat van opzet, schuld, nalatigheid of onzorgvuldigheid geen sprake was en daarmee de strafbaarheid voor de overtreding (het opstellen van een niet-speelgerechtigde speler) ontbreekt.

 

Het “vertrouwensbeginsel” in het sportrecht

M.i. gaat de kortgedingrecht hier gemakkelijk voorbij aan de rol van NSV. Het is een feit van algemene bekendheid dat (wereldwijd) een directe rode kaart leidt tot schorsing voor de eerstvolgende wedstrijd. Indien men hier om welke reden dan ook niet van op de hoogte was, had ieder willekeurige zoekopdracht op internet het antwoord opgeleverd.[2] Het was derhalve logisch geweest dat in de uitspraak nader (althans kritischer) was ingegaan op de door NSV gestelde vraag en het antwoord van de KNVB, dit hoewel de weegschaal m.i. terecht uitslaat naar de kant van NSV en zij dus heeft mogen vertrouwen op de uitlatingen van de KNVB. Zeker als men in dit kader bijvoorbeeld aansluiting zoekt bij het vertrouwensbeginsel uit het bestuursrecht.[3]

Indien U vragen heeft, of advies wenst naar aanleiding van het voorgaande, schroom dan niet om contact met ons op te nemen.

Lars Westhoff
Juridisch Adviseur


[1] Woubrugge streed tevens om promotie naar de derde klasse.

[2] https://www.google.nl/?gws_rd=ssl#q=rode+kaart+voetbal

[3] Indien een toezegging of gedraging van een bestuursorgaan verwachtingen wekt bij een burger, mag de burger erop vertrouwen dat de toezegging ook nagekomen wordt.