De Dopingautoriteit als bestuursorgaan: kan een atleet straks naar de Rechtbank?  26-03-2019

Door Kimberley Kuijpers

Op 1 januari 2019 werd de Wet uitvoering antidopingbeleid (“Wuab”) van kracht. Deze wet geeft de aanpak van doping in de Nederlandse sport een wettelijke basis. Hiervoor had de privaatrechtelijke stichting Nationale Anti-Doping Organisatie (“NADO”) bevoegdheden met betrekking tot aangelegenheden op het gebied van doping. De Dopingautoriteit nu is een orgaan dat krachtens publiekrecht is ingesteld. Dit heeft als gevolg dat het Bestuursrecht van toepassing is. Thans rijst de vraag: wat voor gevolgen brengt het met zich mee voor de procesrechtelijke mogelijkheden voor de atleet.   

Een van de essentiële vragen is in hoeverre een beslissing van de Dopingautoriteit kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is onder andere van belang voor de vraag welk rechtsmiddel kan worden aangewend tegen het besluit. Dient men de tuchtrechtelijke weg te nemen, of biedt het bestuursprocesrecht mogelijkheden.

Een voorbeeld van een beslissing die de Dopingautoriteit neemt, is de beslissing om een atleet een TUE te verlenen. Daarbij wordt beoordeeld of het een sporter in een concreet geval wordt toegestaan om voor therapeutische doeleinden een in beginsel verboden stof of methode te gebruiken. De Dopingautoriteit ontleent zijn bevoegdheid via art. 6 lid 1 sub a Wuab en het besluit brengt een bepaald rechtsgevolg tot stand. Namelijk het feit dat de sporter van de Dopingautoriteit een bevoegdheid krijgt (of niet) om het middel wel (of niet) te mogen gebruiken. Hier kan de sporter rechten aan ontlenen. Dit voorbeeld kan dus worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Awb. Tegen een besluit kan bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld. Hiermee staat voor de atleet de bestuursrechtelijke weg open.

Op enkele uitzonderingen na zal het bestuursrecht verder geen grote rol spelen bij de handhaving van de dopingregels. Het op privaatrecht gebaseerde dopingreglement van de sportbonden blijft namelijk het uitgangspunt voor de aanpak binnen de sport en voor de betreffende sporters. Dat geldt eveneens voor de door de betreffende bond opgelegde sancties. Daarnaast zal de Dopingautoriteit veelal feitelijke handelingen verrichten in privaatrechtelijke sfeer. Indien de sporter hier tegenin wil gaan, dient hij 'gewoon’ de oude procedure volgen en zal hij naar de tuchtrechter kunnen stappen. Van belang hierbij (en een verschil met voorheen) is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten worden genomen indien de Dopingautoriteit privaatrechtelijk handelt. Indien sporters het niet eens zijn met de door de tuchtrechter opgelegde sanctie, dan kunnen zij zich wenden tot de CAS voor geschillen in de sfeer van het private verenigingsrecht.

Het verschil ten opzichte van de oude situatie is dat in het verleden alle verschillende procedures – ook die tegen de stichting Dopingautoriteit – privaatrechtelijk waren. Nu komt erbij dat (een aantal) procedures tegen besluiten van de Dopingautoriteit langs publiekrechtelijke weg worden gevoerd. Het is dus voortaan wel van belang te bepalen of een besluit van de Dopingautoriteit een besluit in de zin van de Awb is, want juist dat maakt het onderscheid tussen de bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke weg.

Vragen over het voorgaande? Neem contact met ons op!

Kimberley Kuijpers
Juridisch Sportloket