Machtsstrijd in dopingland?  03-10-2012

Door Lars Westhoff

Sinds jaren staan de kranten vol over het al dan niet gebruiken van prestatiebevorderende middelen door ex-wielrenner Lance Armstrong. Enkel met het beschrijven van de verdenkingen en de daarmee gepaard gaande media-aandacht had dit artikel een boek kunnen zijn. Interessanter zijn de laatste ontwikkelingen in “Het dossier Amstrong”.

Het UCI1  bericht op 27 september 20122, in navolging van eerder moddergooien tussen de UCI en USADA3, dat zij bezorgd is over het uitblijven van het rapport van de USADA waarop de verdenkingen over het dopinggebruik zijn gebaseerd. Het USADA lijkt weinig te voelen voor het inlichten van de UCI en de UCI uit op haar beurt weinig vertrouwen te hebben in de werkwijze van de USADA. De beide organisaties lijken verwikkeld in een machtsstrijd. In dit artikel schetsen we de verhoudingen tussen de Dopingautoriteiten en de UCI en stellen we ons de vraag of er een machtsstrijd gaande is.

Voorgeschiedenis WADA4
Toen in 1998 twee wielerploegen uit de Tour de France zijn genomen in verband met dopinggebruik, was dat de druppel voor het IOC5 en reden om een mondiale dopingautoriteit op te richten. In 1999 droeg het IOC haar taken met betrekking doping over aan het door haar opgerichte WADA. De belangrijkste opdracht die het WADA meekreeg, was het harmoniseren van het dopingbeleid overal ter wereld.

Het WADA placht dit te doen door middel van een Code, te weten The World Anti-Doping Code 2009. Om wereldwijde harmonisatie mogelijk te maken, was het nodig dat alle sportorganisaties en staten gebonden werden aan deze Code. De staten werden gebonden middels het UNESCO-verdrag en onder druk van het IOC hebben alle internationale sportorganisaties de Code ondertekend, mede doordat deelname aan de Olympische Spelen en financiële ondersteuning voor organisaties die zich niet aan de Code committeerden, niet was weggelegd.

Nevenschikkende bevoegdheden
De Code kenmerkt zich door een zogenaamde nevenschikkende bevoegdheid tot controle. Zo zijn ondermeer bevoegd om controles uit te oefenen:
• het WADA;
• het Internationaal Olympische Comité (IOC);
• de internationale sportfederatie van de sporter;
• de nationale dopingorganisatie van de sporter; alsmede
• de nationale dopingorganisatie van het land waarin de sporter verblijft.
Dit betekent dat in de zaak Armstrong een veelheid van organisaties Armstrong mochten controleren en sanctioneren, waaronder dus ook het USADA.

Wanneer een van de bevoegde partijen een sanctie heeft opgelegd op basis van de Code, is er een aantal partijen bevoegd om tegen deze beslissing in beroep te gaan. Deze mogelijkheid wordt geboden aan de sporter, het IOC, de relevante Internationale Federatie, de Nationale Anti-Dopingorganisatie en het WADA.

Naar het zich laat aanzien, zal de zaak nadat de USADA een beslissing heeft genomen middels het door de UCI ingestelde beroep bij het CAS terechtkomen. Het CAS zal uiteindelijk aan de hand van de bewijzen oordelen of de beslissing van de USADA in overeenstemming is met de Code.

De (ongewenste) “machtsstrijd” zoals die thans wordt gevoerd tussen de USADA en UCI, is derhalve een machtsstrijd die in de hand gewerkt wordt door de Code. Sterker nog, uit de toelichting en introductie van de Code blijkt dat deze situatie juist beoogd wordt!

Indien U over dit onderwerp nog vragen hebt of meer wilt weten, kunt U contact opnemen met ons kantoor.


Lars Westhoff
Para Legal sectie Sport en Recht
Vissers Advocatuur B.V.

                                                               

1 Internationale Wielrenunie
2 “UCI bezorg over uitblijven rapport-Armstrong”, Algemeen Dagblad, 27 september 2012
3 United States Anti-Dopig Agency (Nationale dopingautoriteit van de Verenigde Staten van Amerika)
4 World Anti-Doping Agency
5 Internationaal Olympisch Comité