“Meedoen of Stoppen”  18-06-2013

Door Lars Westhoff

In haar rapport genaamd: “Meedoen of Stoppen” heeft de Commissie Anti-Doping Aanpak1 (hierna: de Commissie) haar bevindingen gepresenteerd van haar onderzoek naar de dopingcultuur en de anti-dopingaanpak in de Nederlandse wielersport. Voor haar onderzoek heeft de Commissie zich gebaseerd op secundaire bronnen en vertrouwelijke interviews met betrokkenen uit de wielersport.

Dopingcultuur in het Nederlandse wielrennen
Allereerst geeft de Commissie in haar rapport een verklaring voor het ontstaan van de dopingcultuur in het (Nederlandse) wielrennen. Dit doet zij aan de hand van een aantal principes. Het eerste principe is de zogenaamde “socialisatie”. Reeds op jonge leeftijd krijgen de renners te maken met het verzorgen (soigneren) van hun lichaam en kregen zij vitaminepreparaten en zalfjes aangereikt die de prestaties kunnen bevorderen. Na toetreding in de profwereld krijgen de renners al snel te maken met een nog uitgebreidere verzorging o.a. doormiddel van injecties. Het een en ander onder het stilzwijgen van alle renners (de omerta).

Een volgend principe dat de Commissie noemt is de “persoonlijke rechtvaardiging” van het dopinggebruik. De renners achtten het dopinggebruik noodzakelijk gezien de zwaarte van de wedstrijden en het aantal wedstrijden. Vervolgens spreekt de Commissie over de “institutionalisering” van doping. De norm in het wielrennen werd dopinggebruik. Gebruikte een renner niet dan kon hij niet meer mee in het (prof)peloton.

Ten slotte bespreekt de Commissie de principes “ondersteuning” en “instandhouding” van de dopingcultuur. Met ondersteuning wordt bedoeld de facilitering en stimulering vanuit de ploegen van het dopinggebruik2. Deze facilitering wordt recentelijk bevestigd door een bericht in de Volkskrant waarin gesteld wordt dat de Rabobank over bloedmachines beschikte, welke gebruikt konden worden voor het ontduiken van dopingcontroles. Met instandhouding wordt gedoeld op factoren die de dopingcultuur bestendigen, zoals de individualiteit van het wielrennen, de beperkte vernieuwing van de trainingsmethoden, het effect van de Zuid-Europese mentaliteit ten opzichte van doping, enzovoorts. Deze vijf principes hebben geleid tot de wijdverbreide dopingcultuur zoals wij die nu kennen, aldus de Commissie.

Effectiviteit van het Antidopingbeleid
De vervolgvraag is hoe het antidopingbeleid de ontwikkeling van de dopingcultuur niet heeft kunnen stoppen. Hierna volgt een selectie van de oorzaken.

Volgens de Commissie is een van de oorzaken gelegen in het kat-en-muisspel tussen de dopingjagers en het peloton, waarbij het peloton steeds een paar stappen vooruit is. Ook is de aanpak van doping erg gefragmenteerd door de diversiteit aan organisaties die bij de dopingaanpak betrokken zijn, hetgeen een effectieve controle bemoeilijkt. De Commissie is daarbij van oordeel dat de nadruk meer moet liggen op preventie (voorlichting) dan op repressie (bestraffing). Ten slotte acht de Commissie het aannemelijk dat de tegengestelde belangen van (internationale) sportbonden, zoals de UCI, een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de weg kan staan. Zo is de UCI niet gebaat bij een heel streng antidopingbeleid, daar dit haaks staat op de promotie van de sport3.

Aanbevelingen
De Commissie komt met een aantal aanbevelingen met betrekking tot de wielrencultuur, de organisatie van de sport en de anti-dopingaanpak. De aanbeveling die er het meest uitspringt is het weghalen van de dopingcontroles en bestraffing bij de sportbonden. De Commissie pleit ervoor om deze taken onder te brengen bij onafhankelijke organisaties4.

Mocht U vragen en/of opmerkingen hebben, of wenst U advies, schroom dan niet contact met ons op te nemen.

 

Lars Westhoff
Para Legal sectie Sport en Recht



1 Ook wel bekend als de Commissie Sorgdrager (voorzitster van de commissie).
2 Dit zou tevens gevolgen kunnen hebben voor de zaak Rasmussen – Rabobank waarover wij reeds op 6 augustus schreven: http://vissers-advocatuur.nl/nl/Nieuws/Rasmussen-versus-Rabo-Wielerploegen.html
3 Ten eerste omdat dopinggevallen niet bijdragen aan een goed imago en ten tweede omdat het geld dat in antidopingbeleid wordt gestoken niet meer gebruikt kan worden voor de ontwikkeling van de sport. Hierbij zij wel opgemerkt dat de UCI m.b.t. tot haar dopingbeleid ver voorop loopt ten opzichte van andere sportbonden.
4 In Nederland gebeurt dit deels door het uitbesteden van de tuchtrechtspraak aan het Instituut Sportrechtspraak.